LEVENSLANG

Het meest verheugende persbericht dat 30 jaar geleden een zonnestraal wierp op mijn nadagen bij Quod Novum, het toenmalig wekelijkse sufferdje van academisch Rotterdam, betrof missive 37 van het Ministerie van Oh en Wee. Het bericht in kwestie dateert van 23 maart 1987 en gaat over de noodzaak  van leven lang leren. Ik moest er aan denken toen ik zojuist, 30 jaar na datum, in de agenda  van de Tweede Kamer las, dat de huidige vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op maandag 23 januari 2017 een uitgebreide hoorzitting gaat houden over dit onderwerp.

Dertig jaar geleden was het een godsgeschenk voor mijn laatste Rotterdamse ‘Johny Immerschwanger’, mijn wekelijkse column in het Rotterdamse universiteitsblad. Hieronder andermaal mijn bijdrage aan een discussie die in 30 jaar niets van zijn glans verloren heeft.

In het flexibele semi-Germaanse jargon waarmee Het Haagje zijn kostelijke gedachtengoed pleegt te spuien, wordt in persbericht 37 van het Ministerie van Oh en Wee van  23 maart 1987 kond gedaan van het ultieme plan dat gesmeed is om de wetenschap andermaal tot ongekende hoogten op te stuwen.

Nee, geen voornemen gaat de voorgangers van onze democratisch geroepenen te ver om elk jaar, als ware de universiteit een boerenbedrijf, een geheel nieuw  zaai- en oogstplan op te stellen. De vergroting van de opbrengst aan wetenschappelijke knolletjes en afkokers kent, niettegenstaande de boterberg, de wijnplas, hetvleesgebergte en de doctorandussenheuvel, een hoge Haagse  prioriteit.

Dat het academische akkertje hierbij tot verdriet van het zwoegend  wetenschappelijke werkvolk steeds weer opnieuw twee spaden diep  omgespit, verkaveld en soms zelfs plat gespoten moet worden, laat zich raden. Maar aan de spaanders kan je wel zien, dat hier gekapt wordt.

Het zonnestraaltje dat in persbericht nummer 37 doorbreekt, slaat minder op de ondoorgrondelijke inhoud van deze missive, maar vooral op de aanhef. Deze luidt onversaagd: ” Universiteiten en hogescholen worden instellingen voor levenslang onderwijs” . Eindelijk levenslang onderwijs, eindelijk een bewindsman met een visie en een plan dat als een paashaas op een chocoladeei uitstijgt boven de waan van de dag en duur van zijn regeerperiode en dat ons aller leven zal doen zinderen van de zin.

Nu ja, ons aller ? In de zingeving van een deel van de alhier tijdelijk vertoevende representanten van onze diersoort, die gemeenlijk ambtenaren worden genoemd, verandert de nu onthulde brede kijk weinig. De ene helft van de ambtenarij heeft het immers nu al te druk met het concipiëren van beleidsplannen, die de andere helft van onze beambten weer van het werk houden. Dat was al geregeld.

Het gaat dus slechts om het restant van de arbeidzame bevolking, dat zich nijver inspant om het grootste werkgelegenheidsproject van dit land, de overheid, draaiende te houden. Voor hen komt er eindelijk levenslang onderwijs, een fenomeen, dat ten onrechte associaties oproept met levenslange gevangenisstraf, want zo levenslang is die laatste voorziening niet. Levenslange penitaire opsluiting vergt in het meest gunstige geval twintig jaar. Maar reeds na zo’n tien tot vijftien jaar, wordt deze ogenschijnlijke eindbestemming zonder afsluitend examen voortijdig beëindigd. En dit dan in tegenstelling met het onderwijs waarvoor nu een echte levenslange vorm wordt ontwikkeld.  Welk  levenslang “leerplaatje” staat het onderwijsministerium voor ogen ?

Zes weken na de bevalling doet de oppas-oma haar intrede, binnen drie jaar afgelost door de peutercrèche, de kleutercrèche, het basisonderwijs, de middenschool, de hogere beroepsopleiding, de universiteit en het tweede fase onderwijs. Er zijn hierbij enige afwijkende trajecten mogelijk : gymnastiek voor zwangeren en de moedermavo,het postacademisch onderwijs, de volwasseneneducatie. En het om-, her-, na- en bijscholing of na ervaringsonderwijs om er een paar te noemen.Allemaal onderwijsvormen die er nu al voor zorgen dat men zich in de lente en de zomer van zijn bestaan niet kan, wat heet, niet zal vervelen.

Persbericht nummer 37 van het Ministerie van Oh en Wee komt evenwel met een verrassing: na de aldus deskundig afgedichte jeugd is nu ook het zo te noemen derde-fase onderwijs onafwendbaar op komst. Want dat is de nieuwe groeimarkt voor de onderwijssector, nu dit land snel opgrijst.

Te verwachten valt binnenkort een crèche voor de jonge bejaarde, waarin de dan verplichte cursus meno-, en penopauze zal zijn opgenomen. En voor hen die dit niet nodig denken te hebben komt er toch een bejaardengewenningsprojekt. Voor de leergierige grijsneus lokt natuurlijk de cursus Onze Bejaarde Samenleving als onderdeel van de leergang Bewegen voor Ouderen. En voor het dementerende besje staat een verplichte ontscholings-ontwennings cursus op de rails en een leergang Leven Zonder Verstand.

De meeste AOWers zullen zich evenwel gretig in de OBU, de Open Bejaarden Universiteit storten, waarna het aansluitende PAB, het Post Academische Bejaardenonderricht, voor het echte krasse oudje dat het dan nog niet weet, snel furore maakt.

Hiermee heeft het levenslang onderwijs dan eindelijk gestalte gekregen en staat één ding vast: zelden was dit land zo grondig voorbereid op het hiernamaals, als sinds persbericht nummer 37 van het Ministerie van Oh en Wee, gedateerd  23 maart 1987.

 

 

PINK CHRISTMAS

pink-xmasDit jaar droomt de homoscene van München voor de 12e keer van een roze kerstmis. Een droom die werkelijkheid wordt in het meest zwoele gedeelte van München, het Glockenbachviertels dat in december wordt omgetoverd in een roze kerstmarkt. In deze oude klokkenbakkerswijk  is het, aldus de organisatoren, ‘klein, fein, bunt, abwechslungsreich – und so kommunikativ wie kein zweiter! Lesben, Schwule, Familien, Nachbarn und Gäste des Viertels fühlen sich hier gleichermaßen wohl und freuen sich auf die freundschaftliche Atmosphäre, das ungewöhnliche Händler-Angebot, den bekannt leckeren Glühwein und die einzigartigen abendlichen Show-Auftritte.‘

Ja, een sappig taaltje, dat Duits. Na München waaierde de rosarote Schwule uit over geheel Duitsland om in 2008 ook Wenen en Amsterdam te bereiken. Het Christelijke vredesfeest werd daar wat assertiever aangepakt dan in de hoofdstad van het bier. Er verschenen kerststalletje waarin het kindeke Jezus werd bijgestaan door niet minder dan twee Jozefs en twee Marias. De Marias nagespeeld door stemmig verklede travestieten. De Jozefs als leatherboys die met ontbloot bovenlijf de kille decembermaand en dito blikken van vrome voorbijgangers stonden te weerstaan.
Een festijn in de geest van  de Saturnaliën, de losbandige Romeinse voorganger van het Christelijke kerstfeest, waarbij de feestgangers zich een week te buiten gingen aan alles wat de Roomse kerk liever niet wilde. Vandaar dat het christendom  met een eigen gekuiste versie van het eindejaarsfeest kwam, opgehangen aan het kindeke Jezus, die overigens in oktober, in het jaar drie voor Christus geboren is.

Na een wilde Amsterdamse start in 2008, waarbij de kerstboodschap ook werd uitgedragen in schaatswedstrijden voor travestieten, kwam er in 020 helaas de klad in. Volgens de organisatoren waren het slechte weer en de lokale ondernemersvereniging de spelbreker. De laatste schafte meteen al in 2009 de feestelijke flikkerlichtjes in lantarenpalen van de Reguliersdwarsstraat af. De bijdrage van de misselijk makende middenstand aan de kerstgedachte beperkt zich nu tot een kale kerstspar, een magere bijdrage aan de vreugde van een Christmas in welke kleurstelling dan ook. 

Het meeste plezier valt nu nog te beleven aan kerststalletjes in de etalages van Amsterdamse seksshops, waar de  kleur roze altijd al populair was en in speelgoedwinkels.

In Frankrijk is het qua kerststalletjes  helemaal tobben. Herdertjes gaan daar in de kerstperiode  vaak tevergeefs op zoek naar kindekes Jezus die publiek  in een kribje op het nieuwe jaar  liggen te wachten.  Verboden, want in Frankrijk geldt in de grondwet  een nadrukkelijke scheiding van kerk en staat.  Geen kerststalletjes bij gemeentehuizen, laat staan dat er publiek bij gezongen en gebeden wordt.

Iets typisch Frans, dat je ook buiten Frankrijk aantreft. Neem het  Franstalige Montreal.  Het kerststalletje is aldaar  in  de stadwijk Monte Royal helemaal uit den boze,  nadat lokale muzelmannen eisten dat er ook symbolen van de islam rond het kribje moesten worden verschijnen. De gemeenteraad van Montreal heeft toen tot een algeheel  kerststalverbod besloten: want anders was het hek van de dam en moesten de  symbolen van alle godsdiensten in de publieke tableau vivante worden opgenomen. Als compromis mag dit jaar nog wel  de kerstverlichting blijven hangen. Daar moet  de  Montrealer het dan mee doen.

Het debat over deze kwestie heeft inmiddels in Frankrijk  een nieuwe dimensie gekregen. Het  Mariabeeld dat  op een sokkel in het dorpje Publier over het meer van Genève uitkijkt, moet daar op straffe van 100 Euro per dag weg. De heilige maagd staat op gemeentegrond en overtreedt  zodoende, net als het kerst kindeke Jezus in zijn stalletje  de Franse grondwet. 

Een pink  Christmas, dat geheel van God los is, lijkt  de oplossing voor de creatieve  Franse gelovige die een beetje water in zijn kerstwijn  wil doen om toch nog van een, zij het heidens  kerststalletje te kunnen genieten.

maria-publier

DOL OP DWERGEN

zonnekoningKoningin Maria Theresa van Spanje, de echtgenote van de Zonnekoning was dol op dwergen. Ze hield ze min of meer als huisdier, aangezien een beetje dwerg beter luisterde dan een hond, een konijn of een cavia. Bovendien kon je ze met elkaar laten paren. Hetgeen niet alleen een koddig schouwspel opleverde, maar ook als je geluk had gratis nieuwe dwergjes. Dwergen, ja, altijd welkom als weggevertje en leuk om na een alcoholrijke maaltijd mee te werpen. En bovendien waren ze altijd dankzij hun  potsierlijke voorkomen prima inzetbaar als hofnar.

Net als Maria was ook Augusta van Saksen-Gotha-Altenburg, prinses van Wales en de moeder van de Engelse koning George III dol op dwergen. Haar lieveling heette Heffrey Hudson ook wel bekend als augustaLord Minimus. De kleine Hudson won het hart van zijn majesteit door in 1639, toen hij net achttien was, tevoorschijn te komen uit de verjaardagstaart van de vorstin. Een cadeautje dat in hoog geplaatste kringen niet ongebruikelijk was. Want wat is er leuker dan een dwerg, die bij een trouwfeest plotseling uit een taart of een pastei springt om een vers voor te dragen, een stukje te musiceren of om  simpelweg onwelvoeglijke geluiden te maken. Ook reuzen en reuzinnen waren als anomalie in trek, maar die lieten zich lastiger in een taart verstoppen.

hofnarmorDus waren het vooral dwergjes zoals de Spaanse hofdwerg El Primo, die in de 16e eeuw werd ingezet om zijn koning aan het lachen te brengen. De Spaanse vorst in kwestie was de bij ons ook welbekende Philips II. Een uiterst vroom en humorloos persoon, die alleen lachte als hij kiespijn had. Maar sprong zijn kleine El Primo tijdens een koninklijk banket op tafel om tussen brekend glaswerk, rondvliegend bestek en rondslingerende gerechten onzin uit te kramen, dan kwam Philips II weer helemaal bij de mensen. El Primo werd als beloning opgewaardeerd tot secretaris van de toenmalige Spaanse eigenaar van ons land.

minimus

Voor wat dat betreft had hij wat meer geluk dan de eerder genoemde Lord Minimus van Augusta van Saksen-Gotha-Altenburg. Deze kleine dappere schreeuwlelijk  viel uit de gratie doordat hij een lijfwacht een kogel door het voorhoofd joeg. Minimus werd door zijn vorstin op staande voet verbannen naar Oriënt. Daar viel hij in handen van Levantijnse kapers, die hem doorverkochten aan een handelaar in dwergen. Deze wist hem na een paar jaar weer voor een zacht prijsje aan het Engelse hof te slijten. Maar Engeland had inmiddels de Paus afgezworen en dus werd de kleine Lord Minimus, die Rome per se trouw wilde blijven, opgesloten in de Tower. Hij stierf eenzaam en berooid op het Engelse platteland. Sic transit gloria mundi.

De bekendste Nederlandse dwerg, die het prima deed in de hoogste kringen van ons land was de Friese Jantje Hannema, alias Tom Pouce. Een Amsterdamse banketbakker noemde zelfs een inmiddels iconisch gebakje naar dit kleine Friese ventje. Een traktatie die in Frankrijk overigens nooit is aangeslagen, want onze Tom Pouce gaat aldaar over de toonbank als mille feuilles.

266px-friese_dwerg_jan_hannema_alias_admiraalOmdat ons Friese Jantje slechts 63,5 centimeter lang was, mocht hij Koning Willem III en diens Engelse collega Victoria af en toe een handje geven, vermomd als admiraal, duivel, Madame de Pompadoer of Napoleon. Koningin Victoria was diep onder de indruk en schonk hem een op zijn maat gemaakt dwergen-ameublementje, waarin onze kleine held uiteindelijk in het Friese Bergum zijn levenseinde sleet. In Friesland leefde hij enige tijd voort op de sigarenbandjes van de voormalige Sigarenfabriek Leeuwarden.

Sindsdien is het overal bergaf gegaan met de  status van de ooit zo populaire hofdwerg:  De adel liet het kleine ventje steeds vaker links liggen. Zodoende kon het gemene volk aan de haal gaan met de kleine medemens, de vertically challenged zoals de lilliputter in politiek correct Amerikaans heet.

dwergwerpen

Het leidde in de jaren zeventig van de vorige eeuw tot dwergwerpen, een vooral in Australië geliefd kroegspelletje dat culmineerden  in de wereldkampioenschappen dwergwerpen. In de USA raakte het kegelen met een goed verpakte dwerg als kegelbal in zwang. Maar deze moderne opmars van de dwerg werd gestuit door de Verenigde Naties en de Europese Unie. Met dwergen mag nu niet meer geworpen worden. Zelfs niet als de dwerg in kwestie daar juist aardigheid in heeft.

Er wordt natuurlijk nog steeds clandestien met dwergen gegooid, maar de enige dwerg die het buiten het grijze circuit  nog echt goed doet is de tuinkabouter. Een dappere kleine Duitser die in 1872 vanuit Thüringen Europa heeft veroverd. In alle mogelijke opstellingen tref je hem aan in miljoenen keurig geknipte tuintjes. Meestal met een olijk mutsje keurig middle of the road achter een kruiwagentje met schep en gieter.

naakte_tuinkabouters_op_bed_8817200

Als je geluk hebt, tref je er evenwel soms nog eentje aan die, geheel in de geest van de oude hofdwerg ook als tuindwerg niet wil deugen. Maar dat is helaas zeldzaam.

BIOWINDJES

runderschetenonderzoek

Een doorsnee koe produceert per jaar 8000 liter melk, 260 kubieke meter koeienvla en 100 tot 1000 kubieke meter methaangas. Dat is goed voor 800 kilo kaas, 5000 kilometer biologisch verantwoord rijplezier als de vla wordt omgezet in biogas en een bijdrage aan het broeikaseffect, dat 23 keer zo sterk als eenzelfde hoeveelheid C02.

De homo ventosa, de winderige mens, kan daar nauwelijks aan tippen. Per dag komen wij niet verder dan een magere 8 tot 25 biowindjes, waar nauwelijks C04, methaangas, in zit. Vegetariërs produceren net als koeien, die ook al zo vegetarisch zijn, wel het milieuonvriendelijke methaangas, ook wel moerasgas geheten. Zij zijn derhalve een iets groter gevaar voor het milieu, dan de vleeseters onder ons.

boer met koe

Maar het grootste gevaar zijn ze vooral voor zichzelf. Methaangas is nogal explosief, naar sommige boeren weleens hebben ondervonden wanneer ze tijdens het melken in een dichte stal een sigaartje opstaken.

De menselijke biowind beperkt zich gelukkig tot slechts een half litertje C02 per dag. Tel je daarbij  alle CO2 op die het directe gevolg zijn van menselijk handelen, dan kom je op 25 liter CO2 p.p.p.d. Waarmee de 1,6 miljard runderen die onze planeet op hun gemakje kaal grazen even veel bijdragen aan het broeikaseffect als de ruim 6,5 miljard mensen die graag een biefstukje wegprikken.

Voor onze  overheden zijn de toenemende hoeveelheid  CO2 in de atmosfeer en alle zorgen van de kritische milieubeweging, een geschenk uit de hemel. Het biedt de mogelijkheid om steeds meer belasting te heffen op de biowinderige bij-effecten die het gedrag van de homo ventosa met zich meebrengt. Op dit moment gaat het om circa 20 miljard euro per jaar, circa 15% van het inkomen dat de overheid aan zijn onderdanen weet te onttrekken.

lastdier

De winderige koe
wordt in ons land vooralsnog met rust gelaten, maar is  wel gewaarschuwd. Want in Schotland, Ierland, Nieuw Zeeland en Denemarken wordt al langer aangedrongen op een schetenbelasting van 80 Euro per koe.

In Nederland zou dat de fiscus een extra 35 miljoen per jaar opleveren, om nog maar te zwijgen van de mogelijkheid om al onze 150 miljoen boerderijdieren aan te slaan voor hun natuurlijk gedrag.

poepende-koe

De aarde wordt er helaas niet kouder van.

 

OLYMPISCHE SPELLETJES

Statue_of_Pheidippides_along_the_Marathon_Road

Langs de snelweg van Athene naar Marathon staat een standbeeld van een zekere Pheidipiddes die in 490 voor Christus de eerste marathon won.

Pheidippides was als ijlbode  van het dorpje Marathon heen en weer naar Sparta gesneld, een afstand van 240 kilometer, om hulp te vragen voor de bestrijding van de Perzen, zo u wilt de Turken. Deze hadden de onprettige gewoonte om het oude Griekenland binnen te vallen.

De zuid-Griekse Spartanen had iets anders omhanden, maar gelukkig hadden de noord-Griekse Atheners zelf inmiddels het klusje geklaard, zodat  de genoemde ijlbode meteen van Marathon doorstekkerde naar Athene, een extra 42 kilometer, om aldaar de overwinning te melden. Bij gebrek aan tegenstanders was deze eerste marathon voor Pheidippides een makkie, zij het dat hij spoedig na aankomst in Athene het vaantje streek.

De tweede Marathon volgde 2486 jaar later in 1896. De Griekse waterdrager Spiridon Louis deed er  een kleine drie uur over om het goud binnen te halen. Even leek hem de overwinning te zullen ontgaan, doordat hij onderweg iets te veel tijd nam voor de lunch.

The winner of the first Modern Olympic Marathon Spyros Louis wearing his medal on the waist-coat of his fustanella, 1896 Crédito: Coleção Particular

Maar gelukkig bleken zijn tegenstanders iets te enthousiast van start gegaan te zijn op dit toen bij de nieuwe Olympische Spelen geïntroduceerde koningsnummer. Alhoewel het dorpje Marathon precies 42,195 kilometer verwijderd is van Athene, namen de nieuwe Olympische spelen die afstand niet zo nauw. De razendsnelle waterdrager Spiridon hoefde slechts een afstand van 40 kilometer te overbruggen alvorens een Griekse legende te worden. In 1908 werden deze 40 kilometers, pakweg 25 mile, opgerekt naar 26 mile. Zulks opdat de finish precies eindigde voor de koninklijke loge van het White City Stadion in Londen. De gelukkige winnaar dat jaar was de Amerikaanse winkelbediende Johnny Hayes, die overigens als tweede over de finish kwam.

dorando_pietri

De Italiaanse marathonloper Dorando Pietri ging hem voor, maar raakte vlak voor de finish zijn kluts kwijt. Officials vingen hem op en droegen hem over de finish.

Amerikaans protest had succes. Pietri werd gediskwalificeerd. Dit zorgde voor veel ophef en een jaar later werd de titanenstrijd tussen Hayes en Pietri nog eens in Madison Square Garden in New York dunnetjes overgedaan. Daarbij triomfeerde de Italiaan.

Dorando_portretDe marathon was vroeger geen Olympisch spelletje. De Spelen die zouden uitgroeien tot het grootste en meest liederlijke sportevenement van de klassiek oudheid, startte 776 jaar voor Christus als een offerfeest ter ere van de Griekse oppergod Zeus.

Aanvankelijk werd Zeus aanbeden door een klein clubje ontklede mannen die zich tegoed deden aan een overvloed aan eten en drank, die zij als offer hadden meegenomen naar het feestterrein bij het dorpje Olympia in Sparta. De botten en andere oneetbaarheden van de meegebrachte voedings- en genotmiddelen, werden plechtig verbrand. En aangezien het opperwezen zelf niet in staat was om het eetbare gedeelte van de lekkernijen te komen oppeuzelen deden de Olympia-gangers dat wel voor hem.

vaas_symposium

Het drinkgelag, symposium op zijn Grieks, werd af en toe ter bevordering van de  eetlust, onderbroken met een fiks sprintje.  Dat laatste is uit de hand gelopen. Het begon met de dromos. Wie het eerste vanaf het begin van de eettafel langs het schranzende gezelschap bij het einde van het banket was aangekomen, werd toegejuicht en werd bekroond met een olijftak. 2786 jaar geleden was dat een sprintje van 600 keer de voet van Zeus, 192 meter. 2734 jaar geleden kwam er een logisch wedstrijdonderdeel bij: de diaulos. Dezelfde afstand, maar dan ook weer terug.

Handig want zo kwam je verkwikt en vertreden weer op je eigen plaatsje aan tafel terug en kon je zo weer verder met het feestmaal. 2718 jaar geleden werd het sportieve pakket uitgebreid met andere spelletje, zoals  naakt worstelen en naakt met een speer gooien. Het was een hengstenbal waarbij dichters, dansers en zangers voor muzak en extra sfeer zorgden. De spelen waren slechts bestemd voor Griekse mannen. Vrouwen werden gedoogd, mits ze ongehuwd en voor de aanvang van de feestelijkheden, nog maagd waren.

sportvrouwen

Baron Pierre Fréddy De Coubertin, die na een mislukte militaire carrière gecharmeerd was geraakt van sportende mannen, zorgde ruim een eeuw geleden voor een mondiale revival van het Olympische sportfestijn, dat sinds het jaar 393 door de toen tot het fundamentele Christendom bekeerde keizer Theodosius werd verboden. Ook bij De Coubertin geen vrouwen, want sportende vrouwen leverden, aldus de baron ‘het meest onesthetische schouwspel dat menselijke ogen kunnen bewonderen’.

Bij de eerste moderne Spelen in 1896 in Athene konden de deelnemers zich ter plaatse inschrijven. Het waren er circa 245. Naast Grieken waren het vooral Engelse en Amerikaanse studenten toevallig op excursie in Griekenland, vrolijke amateurs voor wie het meedoen belangrijker was dan het winnen. Dan kon ook niet anders, want het waren anders dan nu geen dopegezinde beroepssporters, die al dan niet met behulp van vernuftige hulpmiddelen tot topprestaties in staat  waren.

Het zou nog een eeuw duren voordat het festijn van De Coubertin zou uitgroeien tot een mondiaal spektakel, met een Olympische vlam, een bedenksel van de  cineaste Leny Riefenstahl en de staalmagnaat Krupp, bij de spelen in Berlijn in 1936.

vlam

Daarmee waren de spelen niet langer onschuldige Olympische spelletjes voor amateurs maar big business voor de politiek en de  internationale sport industrie. Er  bestaat overigens nog steeds een spelletjesvariant, waarbij het meedoen wel belangrijker is dan het winnen. In het dorpje Much Wenlock in Schotland worden al sinds 1850 jaarlijks Olympische spelen gehouden.

William Penny Brookes, de toenmalig sociaalBrookes bewogen plattelandsdokter van dat dorpje wilde de arbeidersjeugd graag verheffen en maakte de sport, tot dan een privilege van de elite, toegankelijk voor arbeiderskinderen.

;pgo wenlock

Hij motiveerde daarmee ook De Coubertin, die zijn spelen van de dit jaar voor de 130 keer  gehouden Wenlock Olympian games heeft afgekeken.

 

 

 

 

 

 

 

TOPSPORT

1280px-International_Olympic_Committee_1896_Albert

Baron de Coubertin op de eerste rij in het midden van  het het Olympisch Comité in 1896 

In 1912 won het schrijversduo G. Hohrod en M. Eschbach bij de Olympische Spelen in Stockholm een gouden medaille voor hun Ode aan de Sport. Voorzitter van de literaire jury was Pierre de Frédy, beter bekend als Baron de Coubertin. In die jury was hij de enige die aan deze ode een gouden Olympische plak wilde toekennen.

De rest van de jury vond er niets aan en had er net als het Zweedse Olympisch Comité van dat jaar moeite mee om rijmelarij te  zien als topsport. Daarover werd toen overigens al zes jaar gediscussieerd in het Olympisch Comité. De heren besloten onder druk van de Coubertin in 1906 dat kunst ook sport is, maar het Comité van de spelen in Londen van 1908 wilde daar niet aan.

180px-Olympic_rings_with_transparent_rims.svg

In 1912 was de kogel door de kerk en promoveerden de architectuur, de beeldhouwkunst,de  schilderkunst en de literatuur tot topsport. De enige inzending in de laatste categorie heette heel treffend: Ode aan de Sport. Het was in 1912 de enige inzending in de  categorie rijmsport. Het dichtwerkje  werd maar liefst in het Frans én in het Duits aangeboden, zij het zonder een bekende inzender. De schrijvers G. Hohrod en M. Eschbach wilden per se anoniem blijven.

Lastig bij de prijsuitreiking. Maar Frédy persisteerde. Hij betaalde sinds 1902 in de beginjaren van de nieuwste220px-Plaque_Pierre_de_Coubertin,_20_rue_Oudinot,_Paris_7Olympische Spelen immers alle kosten van dit evenement. Daaraan spandeerde hij gaarne het in 500 jaar zorgvuldig bij elkaar geschraapte familiekapitaal van de De Coubertins. Een echte sportfan, want 20 jaar later was dat kapitaal er door heen, zodat De Coubertin uiteindelijk in 1937 geheel berooid, maar wel als Olympische held  aan zijn einde kwam.

In 1912 was De Coubertin nog rijk genoeg om 5000 franc extra ter beschikking te stellen voor de kunstprijzen en zelf werd hij als hoofdsponsor voorzitter van de jury. In die rol was hij de enige die geen bezwaar had om de anonieme ode te belonen met een gouden plak. In 1919 bleek waarom. De Coubertin was zelf de auteur van de bekroonde jubelzang. Hohrod en Eschbach waren de geboortedorpjes van zijn schoonouders. Blijkbaar wilde Pierre bij hen een wit voetje halen door na een geheel mislukte carrière, nu ook eens zelf met een echte gouden medaille thuis te komen.

180px-Bundesarchiv_Bild_146-1976-033-17,_Berlin,_Olympische_SpieleDe affaire belandde in de doofpot, maar De Coubertin had het lef niet meer om ooit nog als toeschouwer naar zijn eigen spelen te gaan. Zijn laatste Olympische daad was een toespraak die bij de spelen in Berlijn via een grammofoonplaat te beluisteren viel. Heel verrassend liet hij via het vinyl weten, dat meedoen aan zijn spelen belangrijker is dan het winnen van medailles130px-20_francs_Pierre_de_Coubertin_revers.

 

Coca Cola

COCA COLA

cola 11Coca Cola, de beroemdste frisdrank ooit, werd in 1895 op de markt  gebracht door John Pemberton. Het drankje heette Pemberton’s French Wine Cola en was bedoeld als middel tegen hoofdpijn, malaise en impotentie. Pemberton liet zich inspireren door Angelo Mariani, een Franse chemicus die een rode bordeauxwijn had opgepept met het extract van kolabladeren.

De Vin Mariani was internationaal een succes.

cola pausPaus Leo XIII was er verzot op en noemde  de heilzame werking van Vin Mariani een zegen.

Pemberton liftte mee op dit succes en verkocht zijn French Wine Cola voor vijf dollarcent per glas. Zijn cola had wel wat bijwerkingen. Je ging er van hallucineren, daarna werd je hyperactief en uiteindelijk volgde een gemene kater.

cola 5

De drooglegging van de USA dwong Pemberton  om de wijn uit zijn cola te halen. Hij verving deze door cocaïne en kolanootjesextract. In de loop van de tijd verdween de cocaïne en moest de liefhebber zich behelpen met slechts de smaak van gestampte cocaineblaadjes.

Lekker was anders en dus ging er een berg suiker in plus wat kruiden.  Deze samenstelling  werd en wordt door de firma gekoesterd als een kostbaar geheim, maar op  Internet kan je  grotendeels terugvinden wat er zoal in een colaatje huist.

Cola is als geneesmiddel ongeschikt en mag dan ook zonder recept en zonder een bijsluiter verkocht worden. Bijwerkingen zoals het oplossen van roest en vlekken worden vaak geroemd. Maar dat kunstje flik je met  elke vorm van suikerwater.

coke 10

Coca-Cola is hiermee allesbehalve uniek. De firma  heeft dus ook nooit octrooi aangevraagd op haar receptuur. Het dankt zijn succes vooral aan het  immense reclamegeweld waarmee dit zoete prikwatertje al meer dan een eeuw in de media wordt geplugd.

Een bijwerking die tegenwoordig nogal tot de verbeelding spreekt is het effect van cola gebruik op je postuur. Het helpt je prima van je anorexia af.

coke 9

KOUWE KAK

Al in de Middeleeuwen was er sprake van kouwe kak. We hebben het dan over deGroom of the Stool, de adellijke Engelse billenpoetser die de eer werd gegund om op discrete wijze de bilnaad van zijn Angelsaksische heer en meester smetvrij te houden. Een aanhoudende klus, die de groom alle gelegenheid bood om zijn vorst op gezette tijden onder vier ogen vertrouwelijk te ontlasten en te voorzien van gevraagd en ongevraagd advies.

Het woord ‘groom’  stamt uit het Diets, het Noord-Middelnederlands en duidt op een paardenknecht, iemand die het vuile werk doet. En dat was ook de aanvankelijke functie van de Groom of the Stool in het Middeleeuwse Engeland. De Stool in kwestie was de kakstoel, die stond opgesteld in de Privy chamber, het privé vertrek  van de vorst, waar de kouwe kak hun vorst gaarne terzijde stond.

In de renaissance promoveerde de stool tot commode. Van eenvoudige kist met gat en emmer veranderde het in een sfeervol laag wandmeubeltje op fraaie korte pootjes, om uiteindelijk onder Queen Victoria van het vorstelijk toneel te verdwijnen. We treffen het nu nog aan in de kinderkamer als commode en als kinderstoel met ingebouwde po.

Aan het Engelse hof was men in de Middeleeuwen echter nog niet zover. De waterkast, bij ons bekend als water closet, dan wel toilette dateert weliswaar van 3000 jaar voor Christus, maar bleef in Noordwest Europa onbekend tot in de 19e  eeuw. Na de Grieken raakte deze innovatie in het ongerede, totdat de oude Romeinen het idee even na het overlijden van Christus weer oppakten. Zulks dan vooral in de huizen en later paleizen van de patriciërs. Het gewone volk, het plebs, deed de behoefte in een emmer en in openbare toiletten. Voor de laatste voorziening moest , net als nu bij benzinestations in België, betaald worden. Niet via een Romeinse toiletjuffrouw, maar via de belastingen. Titus, de zoon van keizer Vespasianus was dat een gruwel. Maar toen deze bezwaar maakte tegen de urine belasting, liet zijn vader hem ruiken aan een munt, die geïnd was van de uitbater van een publieke toilet. Titus moest toegeven dat hij niets rook. Waarop Vespasianus de historische woorden sprak: Pecunia non olet. Waarmee hij zijn reputatie van geldwolf een extra dimensie gaf.

Na de Romeinen raakte het toilet in de vergetelheid en had men de gewoonte om de behoeften te doen in het vrije veld,  gewoon op straat of op een gemak, een aan de buitenmuur van een kasteel bevestigd kamertje. Van een spoelsysteem was geen sprake. De uitwerpselen kwamen in een slotgracht terecht.

Om zich op hun gemak binnenshuis te kunnen ontlasten bedienden Engelse vorsten zich in de vroege middeleeuwen van een stool, een kakstoel en een Groom of the Stool, die de kakstoel mocht beheren en zijn heer en meester op de pot zette wanneer de vorstelijke natuur zijn loop moest hebben. Dit leidde tot een innige band met de hoveling, die zich discreet met zijn vorst terugtrok.

De functie van Groom of the Stool groeide daarmee in de renaissance uit tot een felbegeerde positie aan het hof. Kouwe kak in zijn oervorm. Het werd een instituut dat zeer in trek was bij de adel en de aristocratie, waarbij het accent steeds minder kwam te liggen op het billenpoetsen. En dat zeker toen zich ook Engelse vorstinnen aandienden. Die wilden uiteraard liever geen vreemde mannen aan hun komt.

En zo kwam de Groom of the Stool onder de  preutse koningin Victoria aan zijn einde. Aan haar lijf geen polonaise. Zij veranderde De Stool in de Stola en de rol van de Groom werd gereduceerd tot die van kleedster.  Geen functie voor een edelman. James Hamilton, de Duke of Abercorn, was tot 1903 nog de enige echte ouderwetse billenpoetser, de oervorm van kouwe kak die ook zonder stool is blijven bestaan.

Sindsdien  is het aan het Engelse hof behelpen in het kleinste kamertje.

BOYS & TOYS

De-Tweede-Wereldoorlog-in-kleur-2.-8-80cm-GUSTAV-Railway-Gun-Schwerer-GUSTAV-Adolf-Hitler

Het op één na oudste beroep ter wereld is dat van huurling, ook wel huursoldaat genoemd. Het was de ZZPer avant la lettre die in de roman Ivanhoe van Walter Scott promoveerde tot free lancer, vrije lanseliers, en die in  USA onder het motto ‘have gun will travel’ via cowboys en premiejagers uitgroeide tot G.I, de Amerikaanse Jan soldaat. toen nog niet met wonderwapens maar met eenvoudige revolvers.

De afkorting G.I. is afkomstig van de metalen vuilnisemmers die het Amerikaanse leger in de Eerste Wereldoorlog gebruikte. Deze waren vervaardigd van gegalvaniseerd ijzer en droegen dan ook het opschrift G.I, galvanised iron. De afkorting G.I. staat ook voor  Government Issue, oftewel: Rijkseigendom. Het zegt iets over de positie van de Amerikaanse militair.

De kracht van een heerser wordt altijd afgemeten aan de omvang en daarmee de afschrikkende werking van diens leger en de wapens waarmee wordt gepronkt. Boys & toys. Legers moeten in elk geval omvangrijk zijn, want bij een beetje veldslag wordt er traditiegetrouw niet op een soldaat meer of minder gekeken. Vroeger nam men rustig de tijd voor een fijn stukje oorlog. Maar met het vorderen van de beschaving is het aloude krijgsbedrijf een vluggertje aan het worden. Zo vlot mogelijk zo veel mogelijk lieden van kant. En bij gebrek aan ouderwetse veldslagen waarbij tienduizenden jonge lieden elkaar op fluitsignaal enthousiast om zeep helpen, mogen nu ook de land- en lotgenoten van de vermeende tegenpartij als slachtoffer meedoen met het moderne landjepik.

Ja de hoffelijkheid is helaas ook in het krijgsbedrijf zoek geraakt. Het oude handwerk is in de greep geraakt van technologie en innovatie. De joystick heeft zijn intrede gedaan en de methoden om elkaar in het geniep naar het leven te staan, worden steeds geraffineerder. Onze moderne Amerikaanse bondgenoten steken er 500 miljard per jaar in, evenveel als alle andere grootmachten bij elkaar. Maar de Amerikaanse oorlogsmachines zijn dan ook aanzienlijk vernuftiger dan die van de Nazi’s in de jaren veertig.

Neem de Maus, de superzware tank die Ferdinand Porsche in maart 1942 in opdracht van Hitler in het plaatsje Kummersdorf bouwde. In mei 1943 kwam het prototype van de Maus klaar. Het gevaarte woog 188 ton en haalde door dat enorme gewicht krap tien kilometer per uur. Een angstaanjagend gedrocht, dat evenwel te groot te breed en te zwaar was voor het Duitse wegdek, dat door bruggen zakte en watervrees had.

De Maus kwam slechts in actie toen het Russische leger Kummersdorf naderde. De Maus koos het hazenpad, maar met 10 kilometer per uur was het een eitje voor de Rus om het, althans in gedemonteerde vorm, in triomf als oorlogsbuit mee te voeren naar hun oorlogsmuseum in Koebinka,

De Maus was overigens een kleine jongen vergeleken met de Landkreuzer P. 1500. Een gedrocht van 1500 ton, dat nooit de tekentafel verliet en waarvoor naast Krupp ook Daimler Benz tekende.

Haast even indrukwekkend als de Maus en genoemde landkruiser waren de Schwerer Gustav en de Dora, kanonnen van 50 meter lang, 12 meter hoog met een schoot bereik van bijna 50 km. Beiden gemonteerd op een enorm treinstel, want de firma Krupp had, anders dan de firma Porsche in de gaten dat Gustaaf en Dora net als de Muis niet gewoon over straat konden. Der Gustave was vernoemd naar de grote baas van Krupp, de heer Gustav Krupp zelf. Het tweede kanon naar diens vrouw Dora. De Schwerer Gustav kwam slechts één keer in actie in 1942 bij de Russische stad Sebastopol. Hiervoor moesten er wel eerst nieuwe spoorrails worden aangelegd. Deze liepen in een bocht omdat de loop van het kanon niet naar links of rechts kon draaien. Het geschut werd langzaam over de rails gereden om de juiste schietrichting te bepalen. Gustav schoot 47 keer mis, raakte een zeilbootje dat argeloos bij Sebastopol voor anker lag en gaf na 48 schoten de geest. Zijn loop lag aan flarden. Daarna is Gustave nooit meer de oude geworden. Dora heeft zelfs nooit een schot gelost. Zij beleefde pas in 2013 haar moment of glory te Overloon in ons eigen Oorlogsmuseum. Maar dat dan wel in een schaal van 1 op 6. Een cadeautje van het spoorwegmuseum uit Utrecht, dat de verkleinde Dora eerder van een Engelse knutselaar had gekocht voor een tentoonstelling over krijgszuchtige treinen. Utrecht zat daarna een beetje met Dora in zijn maag, zodoende.

Wat minder protserig dan al deze superkanonnen op wieltjes was het Um die Eckegewehr,een machinegeweer waarmee je om een hoekje kon schieten. Een handig opzetstukje zorgde er voor dat je de vijand met een hoek van 90 graden stiekem voor zijn raap kon schieten. Een trouvaille die in WOII nog niet helemaal uit de verf kwam, maar die door de Amerikaanse wapenindustrie met succes werd toegepast in Irak en Afghanistan.

Je kan zeggen dat de Duitsers met hun wonderwapens hun tijd ver vooruit waren. Volgens sommige bronnen zouden de nazi’s ook meer exotische technieken hebben ontwikkeld op het gebied van bijvoorbeeld medische experimenten op mensen en antizwaartekracht. Dat laatste was nodig om een vliegende schotel, de nazi-ufo, van de grond te krijgen. Het gerucht wil dat de Verenigde Staten tijdens hun Operatie Paperclip prototypes van deze fascistische trouvaille inclusief Duitse geleerden die hieraan werkten hebben overgebracht naar geheime bases in de VS. In het diepste geheim zouden deze voormalige nazi-geleerden ufo’s hebben ontwikkeld. Sommige Amerikanen zagen ze in de jaren vijftig vliegen.

 

HET GENEUKTE HAASJE

langoorbuideldasDe meest bijzondere paashaas ter wereld is te vinden in Australië.

 Het betreft de Easter Bilby, de nog net niet uitgestorven grote langoorbuideldas, een nachtbrakertje dat gaarne een wormpje mag oppeuzelen. Bilby neemt de honneurs waar voor de down yonder in onmin geraakte Easter Bunny, de bij ons zo populaire Paashaas.

 Het Australische paasbeestje meet 30 centimeter zonder staart en lijkt dankzij twee kolossale konijnenoortjes met een beetje fantasie op een mini-haasje. In de paastijd tref je hem uitgevoerd in chocolade en gewapend met een mandje met paaseitjes ruimschoots aan in paasetalages. Buiten die periode vertoeft hij overdag meestal ondergronds. ’s Nachts mag hij graag  met zijn staartje stijf naar achteren voorbij zoeven.

 De bilby dankt zijn bijzondere positie bij het Australische paasgebeuren aan de  ‘Anti-Rabbit research foundation’, een stichting die een gruwelijke hekel heeft aan konijnen en die in 1991 de paashaas uit Australische bonbonnières wist te verdrijven. Het wachten is nu op de dekonijnisering van de rest van het ‘Groote Suytland’, dat net geen Nederlands eiland is geworden, doordat de  Hollandse ontdekkingsreiziger Willem Jansz, kapitein van de Duyfken het in 1606 links liet liggen, omdat het er wat ongezellig uitzag.   

 eASTER bUNNYDe Aussie mag net als wij tijdens de paasdagen graag een eitje tikken voordat hij er op uittrekt naar het Ulladulla blessing of the fleet festival. Dat festijn stamt uit Sicilië. Vroeger werd de Siciliaanse vissersvloot met Pasen gezegend om te zorgen dat de vissers weer veilig thuis kwamen. Tegenwoordig wordt dit in Australië zonder vissersvloot gevierd en beperken de feestelijkheden zich op Eerste Paasdag tot een wedstrijd spaghetti-eten, het beklimmen van een glibberige paal en het  vangen van een goed ingevet varken.

 En dat terwijl dit Britse kroondomein meer een Anglo-Saksische inborst vertoont dan een mediterrane. In Groot Brittannië, het moederland van Australië staat Pasen in het teken van de godin Eostre ook wel bekend als Eastra. Easter is de godin van de vruchtbaarheid en het voorjaar. Meestal komt zij tot ons in de gestalte van een gekke maartse haas. Gek dan van geilheid in de rammeltijd aan het begin van de lente. Pasen heet in het Engels derhalve Easter. De godin leeft bij ons voort in schattig in zilverpapier verpakte haasjes, die opzichtig strooien met smakelijk gevulde eitjes en gele onverteerbare mini-kuikentjes.

 Op 3 april van het jaar 33 was het aan de vooravond van het allereerste paasfeest in het beloofd land nog niet zover. Judas had zojuist de jonge Jezus voor 30 zilverlingen verlinkt. En alhoewel laatstgenoemde dat al bij zijn laatste avondmaaltijd in de gaten had, was deze toch het haasje, ofzo u wilt de bilby. Een drama dat het begin inluidde van godsdienstoorlogen die de mensheid nu al twee eeuwen teisteren. En dat we sinds 325 op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente beleven en/of vieren. Dezer dagen dus met koorzang, paashazen en Easter Bilbies.

Niets staat dus ook dit jaar een vrolijk paasfeest in de weg.

Geniet er maar van!

De Encyclopedie van Nutteloze Feiten op internet