TOPSPORT

1280px-International_Olympic_Committee_1896_Albert

Baron de Coubertin op de eerste rij in het midden van  het het Olympisch Comité in 1896 

In 1912 won het schrijversduo G. Hohrod en M. Eschbach bij de Olympische Spelen in Stockholm een gouden medaille voor hun Ode aan de Sport. Voorzitter van de literaire jury was Pierre de Frédy, beter bekend als Baron de Coubertin. In die jury was hij de enige die aan deze ode een gouden Olympische plak wilde toekennen.

De rest van de jury vond er niets aan en had er net als het Zweedse Olympisch Comité van dat jaar moeite mee om rijmelarij te  zien als topsport. Daarover werd toen overigens al zes jaar gediscussieerd in het Olympisch Comité. De heren besloten onder druk van de Coubertin in 1906 dat kunst ook sport is, maar het Comité van de spelen in Londen van 1908 wilde daar niet aan.

180px-Olympic_rings_with_transparent_rims.svg

In 1912 was de kogel door de kerk en promoveerden de architectuur, de beeldhouwkunst,de  schilderkunst en de literatuur tot topsport. De enige inzending in de laatste categorie heette heel treffend: Ode aan de Sport. Het was in 1912 de enige inzending in de  categorie rijmsport. Het dichtwerkje  werd maar liefst in het Frans én in het Duits aangeboden, zij het zonder een bekende inzender. De schrijvers G. Hohrod en M. Eschbach wilden per se anoniem blijven.

Lastig bij de prijsuitreiking. Maar Frédy persisteerde. Hij betaalde sinds 1902 in de beginjaren van de nieuwste220px-Plaque_Pierre_de_Coubertin,_20_rue_Oudinot,_Paris_7Olympische Spelen immers alle kosten van dit evenement. Daaraan spandeerde hij gaarne het in 500 jaar zorgvuldig bij elkaar geschraapte familiekapitaal van de De Coubertins. Een echte sportfan, want 20 jaar later was dat kapitaal er door heen, zodat De Coubertin uiteindelijk in 1937 geheel berooid, maar wel als Olympische held  aan zijn einde kwam.

In 1912 was De Coubertin nog rijk genoeg om 5000 franc extra ter beschikking te stellen voor de kunstprijzen en zelf werd hij als hoofdsponsor voorzitter van de jury. In die rol was hij de enige die geen bezwaar had om de anonieme ode te belonen met een gouden plak. In 1919 bleek waarom. De Coubertin was zelf de auteur van de bekroonde jubelzang. Hohrod en Eschbach waren de geboortedorpjes van zijn schoonouders. Blijkbaar wilde Pierre bij hen een wit voetje halen door na een geheel mislukte carrière, nu ook eens zelf met een echte gouden medaille thuis te komen.

180px-Bundesarchiv_Bild_146-1976-033-17,_Berlin,_Olympische_SpieleDe affaire belandde in de doofpot, maar De Coubertin had het lef niet meer om ooit nog als toeschouwer naar zijn eigen spelen te gaan. Zijn laatste Olympische daad was een toespraak die bij de spelen in Berlijn via een grammofoonplaat te beluisteren viel. Heel verrassend liet hij via het vinyl weten, dat meedoen aan zijn spelen belangrijker is dan het winnen van medailles130px-20_francs_Pierre_de_Coubertin_revers.