Alle berichten van heinmeijers

Hein Meijers is zelfstandig wetenschapsjournalist en publiceert boeken o.a. bij Atlas Contact

GEWEEN EN TANDGEKNARS

In deze eeuw is de aarde al meer dan tien keer vergaan, althans als  een hele serie sombere sterrenwichelaars hun zin had gekregen.

De primeur komt toe aan de redactie van De Wachttoren, het sufferdje van de Jehova getuigen, dat al in 1998 met breaking news kwam: het  duizendjarige koninkrijk van de Here stond met het nieuwe millennium op uitbarsten. Goed gelovige joden, christenen en muzelmannen wachtte in het jaar 2000 een enkele reis richting paradijs. De non-Jehova getuige zou het op de dag des oordeels voor zijn kiezen krijgen. Hij zou dan, aldus Openbaring 20:11, naar de ‘buitenste duisternis’ verbannen worden. Daar wachtte hem de hel waar het bepaald geen pretje is, want er heerst, aldus de profeet Johannes eeuwig ‘geween en tandengeknars’.

Ook gedigitaliseerde gelovigen stond in 2000 een doomsday te wachten.  De hel op aarde, want ook hun pc zou precies bij de aanvang van de nieuwe eeuw  geveld worden door de millennium bug. Einde facebook, einde aarde. Daar was aan te ontkomen met een digitale aflaat, een computerprogrammaatje waarmee je trouwe tekstverwerker na een zekere betaling ongeschonden de nieuwe eeuw zou bereiken. Gelukkig bleek je ook zonder te kunnen.  

Dat geluk was ook voor de heer Heinrich van Geene uit Puttershoek weggelegd.  Heinrich was er heilig van overtuigd dat de Schepper de wereld pas in oktober 2001 zou vernietigen. Alleen hijzelf en zijn Efraïm-sekte zouden gespaard blijven.

Van Geene en zijn tientallen volgelingen vestigden zich in deze container op een industrieterrein in Heinenoord in afwachting van het Einde der Tijden. Die zou zich, aldus de profeet uit Puttershoek, manifesteren als een gigantische lichtflits waardoor je verblind wordt. Dan een hittegolf zo heet dat alles wegsmelt. Bij hen die niet worden gered zal hun vlees wegsmelten, hun ogen zullen uit hun kassen smelten en hun tong uit hun mond.’  Niet prettig, maar het feest ging niet door. De wereld bleef bestaan, maar de sekte van de goeroe  viel daarentegen  bij gebrek aan rampspoed wel uiteen.

In 2002 kreeg de Puttershoeker steun van niemand minder dan Frans Rutten, ooit de grote baas van het Ministerie van Economische Zaken en oud-hoogleraar Economie. Op 11 april zou de antichrist de macht in het Vaticaan overnemen, aldus Frans. Het kon overigens ook 2005 of 2010 worden. Het is onduidelijk of Frans Rutten hiermee duidde op Joseph Aloisius Ratzinger, die in 2005 als Benedictus XVI de macht in het Vaticaan overnam. We zullen het nimmer weten want Frans Rutten is inmiddels in het hiernamaals aangeland, en Ratzinger, ooit gevreesd  als  ‘de  rottweiler van God’ was zeker geen antichrist.

Ook de Amerikaanse  radio-omroeper Harold Camping uit Oakland , California, bood, qua armageddon een keuzemenu. De wereld zou vergaan op 21 mei dan wel 21 oktober 2011. God zou drie procent van de mensen meenemen naar de hemel. De rest wachtte een vijf maanden durende hel op aarde, met een hevige vuurzee, zwavelstromen en het uitbreken van grote plagen waardoor dagelijks miljoenen mensen beschikbaar kwamen voor wat de Engelsen zo treffend omschrijven als  pushing up the daisies.

2012 stond  qua einde der tijden in het teken van  de Maya’s. Een rekenfoutje in de beroemde Mayakalender zorgde er voor dat het op 28 oktober 2011, dan wel 21 of 23  december 2012 zo ver zou zijn: einde aarde. Het klusje zou worden geklaard door een komeet met rugnummer C/2010 X1 die in  december 2010 werd ontdekt door de Russische amateurastronoom Leonid Elenin. Helaas  kwam Elenin, althans de inmiddels naar hem genoemde komeet, te dicht bij de zon en verdween spoorloos in het heelal..

De meest recente ondergang van de aarde die niet door ging dateert van 23 september van dit jaar. Op basis van cijfers uit de bijbel berekende de Bijbelse boekhouder David Meade dat 33 dagen na de zonsverduistering van 21 augustus het einde der tijden op aarde zou aanbreken.

De boosdoener zou de planeet Nibiru zijn, een zogenaamde bruine dwerg,, die onze planeet op 23 september van dit jaar midscheeps zou raken.  De klap bleef uit en dat is niet vreemd, want er bestaat geen planeet van die naam.

Voor de liefhebbers van  de armageddon, die niet het geduld kunnen opbrengen om te wachten op de big chill, dan wel de big heat van het broeikaseffect, wordt het tijd dat zich een betrouwbare onheilsprofeet aandient. Iemand die echt weet wat er aan de hand is op dit ondermaanse. En gelukkig is die nieuwe wetenschappelijk onderbouwde halfgod al lang geleden opgestaan. We hebben het over de meest beroemde Engelse wetenschapper ooit, Sir Isaac Newton. Isaac werd onsterfelijk  door het ontdekken van de zwaartekracht en  het kattenluikje. In 1704  berekende  hij aan de hand van de bijbel  dat er tussen de kroning van Karel de Grote tot keizer van de westerse wereld in 800 en het einde der tijden precies 1.260 jaar zullen verstrijken.

Het wordt dus voor de hardnekkige  liefhebber van het einde der tijden 2060. Daar kan je vergif op innemen.

VROOM POOTJEBADEN

Tweehonderd jaar nadat de westerse vrouw voor het eerst pontificaal in open zee te water ging, is nu de muzelvrouw aan de beurt. En dat gaat niet ongemerkt, want de moslima geeft zich niet graag bloot en kiest aan de Europese kusten voor een vroom zwempak, een burkini, een opvallend ruime bikini die de vrouwelijke contouren geheel onttrekt aan spiedende mannenogen.

Voor de gelovige zwemster lijkt het, naar spreekt uit krantenartikelen, een bevrijdende sprong voorwaarts te zijn, uit de greep van de heren van de Islam die ouderwets zuinig zijn op hun dames. Streng gelovigen van alle gezindten zien in het nieuwe vrome pootjebaden dan ook grote gevaren voor zowel de Oosterse als de Westerse beschaving.

Vorig jaar werd het dragen van dit bovenmaatse model badpak in een aantal Zuid Franse badplaatsen verboden. Zulks niettegenstaande de Conseil d’ Etat die lokale burkini-verboden verwierp als ‘een ernstige, en duidelijk illegale schending van fundamentele vrijheden, de vrijheid van religie en individuele vrijheden’. Dit verbod van de Franse Raad van State vond vorig jaar minder gehoor bij de recalcitrante badplaatsen, dan bij onze toenmalige Minister van Integratie, Lodewijk Asscher. Onze vicepremier wilde kwijt dat het hem ‘niet prettig leek om ermee in de zee te zwemmen…maar als je zelf op een rare manier te water wilt gaan, kan de overheid dat niet zomaar verbieden’.

In Frankrijk dus wel. Een aantal badplaatsen handhaaft ook dit jaar l’interdiction du burkini, zij het nu iets subtieler. Dat bleek bij het filmfestival van Cannes. Daar werden in april zeven moslima’s speciaal uit Parijs ingevlogen voor een demonstratie. De bedoeling was dat ze in hun nieuwe burkini ten overstaan van de wereldpers zouden gaan pootjebaden. Maar ze werden ingerekend voordat ze hun snode plan ten uitvoer hadden kunnen brengen. Rachid Nekkaz, een Parijse makelaar van Algerijnse afkomst, die naast andere pro-Allah evenementen ook dit zwemtochtje financierde, hangt nu een boete van 7500 euro en zes maanden cel boven het hoofd aangezien het verboden was om tijdens het festival van Cannes demonstraties te houden. De meisjes kwamen er vanaf met een reprimande.

Na Cannes werd de burkini ook tijdens de hittegolf die Marianne dit jaar in juni trof, op veel plaatsen in het Franse binnenland verboden. En dat lot trof niet alleen de burkini, maar ook de monokini. Beide kledingstukken die mannen tot driest gedrag kunnen brengen. Te veel kleding is niet goed en te weinig mag ook niet en dat haalt de willekeur uit het aanvankelijke verbod.

Daarmee is het voor de gelovige moslima, die graag gekleed te water gaat, een stuk lastiger geworden om legaal het ruime sop te kiezen. Lastiger dan 200 jaar geleden, toen hun christelijke zusters in noordelijke badplaatsen voor het eerst pontificaal te water gingen. Welgestelde en tevens zwemlustige dames en heren werden toen aan de stranden van de Noordzee vanaf badpaviljoens in badkoetsjes achteruit de zee in gereden, zodat ze, al dan niet ontbloot, aan de keerzijde van het koetsje de golven konden beproeven. Een paraplu aan het koetsje bood extra bescherming tegen geile blikken van de heren die gezeten op de blanke top der duinen met een verrekijker op hun manier van de zwempret genoten. En dat dan reeds om 6 uur in de ochtend, want hoe krachtiger de golfslag des te werkzamer het zeebad. En dat was naar men aannam vroeg in de ochtend. De badkoetsjes werden dan ook al vanaf het ochtendgloren de zee ingereden of gedragen. Ja, de zee en het zeewater werden als uiterst gezond ervaren, ook als medicijn tegen allerlei klachten, zoals een opgeblazen gevoel na een al te hevige maaltijd. Dat kotste je er zo uit na een slok zeewater.

Vlak na de Eerste Wereldoorlog kostte een zeebad bij de Domburgsche Zeebadinrichting twee kwartjes. Bij de prijs was een koetsje, een handdoek en een badkostuum inbegrepen. De maximum tijd voor het nemen van een bad bedroeg drie kwartier, inclusief het omkleden, maar meestal hield de zwemlustige het al na acht minuten voor gezien. Een georganiseerde duik in zee was door het prijsplaatje alleen weggelegd voor de welgestelden. Maar die gingen dan wel te water aan de hand van een badmeester. Want de zwemkunst kende nog vele geheimen.

Aanvankelijk was dat naakt. Maar al spoedig werd er in volledig stadstenue in zee gepoedeld. Na 1850 was een colbertje met daaronder voor de dames een bolle bloomerbroek in de mode, mits daaroverheen een wijde rok met lood in de zomen tegen het opbollen werd gedragen en kousen met rijglaarsjes. De badpakken van de heren leken op donker ondergoed, met lange pijpen en lange mouwen. Ze waren gemaakt van zware wol of flanel, opdat de mannelijke trots onzichtbaar bleef. Eenmaal nat woog het badpak al gauw 10 kilo. Het zeebad was daarmee een vermoeiende vorm van ontspannen. Maar nieuwe tijden gloorden en er werd in de afgelopen eeuw veel geëxperimenteerd met nieuwe materialen, zelfs met hout.

De echte doorbraak kwam in 1946, toen de naaktdanseres Michelins Bernardini als eerste in een zwembad te Parijs een tweedelig badpak, de bikini showde. Ze bleek een navel te hebben en dat schokte de wereld. Het danseresje kreeg tienduizenden brieven van fans en het Vaticaan stond op zijn kop. Spanje, Portugal en Italië sloten de grenzen voor het pikante twinsetje. Het dragen ervan werd als een ‘hersenloze daad’ bestempeld. Immoreel, een volledig blote buik. Het badpak werd op de markt gezet als bikini, omdat het net als de atoombommen die op de Bikini-eilanden werden uitgeprobeerd, moest inslaan als een ‘anatomische bom’. Dat lukte, want dankzij de ophef en de religieuze lobby durfde Hollywood het pas in 1965 aan om dames met navel, buik en bikini in films te vertonen.

Erg origineel was dat overigens niet. Al in de vierde eeuw na Christus mochten de dames op Sicilië graag een bikini dragen. Het bewijs daarvan zijn mozaïeken met vrouwen in bikini in een laat-Romeinse villa bij Piazza Armerina. Ze staan op de werelderfgoedlijst van de Unesco.

Wel nieuw is de microkini, een kledingstuk dat voornamelijk bestaat uit enige  reetveters,

Op het eerste gezicht wellicht iets te luchtig voor de nu schuchter in het zeewater emanciperende vriendinnen van de profeet.

 

 

NATTIGHEID

In het voorjaar van 1939 verdween de enige originele Renault FT-17 die het Nederlandse leger ooit rijk was jammerlijk in de modder van een ondergelopen weiland bij Leusden. De Renault  in kwestie was dé tank van de Eerste Wereldoorlog en de enige tank die ons land in 1939 bezat.  Nederland was sinds 1927 de gelukkige eigenaar van dit populaire Franse strijdwagentje waarin een bestuurder en een kanonnier, achter elkaar gezeten de vijand te lijf konden gaan. In 1940 hadden we er wel een aantal van in bestelling, maar die waren helaas niet op tijd beschikbaar toen we ze in mei 1940 goed konden gebruiken.. Datzelfde gold voor wapenleveranties die maar niet los wilden komen van de Duitse oorlogsfirma Krupp.

Renault prees zijn strijdlustige  paradepaardje aan als een ‘Automitrailleuse a chenilles’, een machinegeweer op rupsbanden. De letters FT stonden voor ‘Force de Terre’, want het was zeker geen vliegtuig en 1917 was het bouwjaar. In 1940 jakkerden er nog tegen de 3000 oude FT17’s op hun gemakje door Europa. Nooit sneller dan 8 kilometer per uur, want het dappere bejaarde krijgskarretje was geen wegpiraat. En naar bleek bij proefnemingen in de Hollandse Waterlinie bij Leusden, ook geen waterrat.

De proefneming bij Leusden was onderdeel van een conflict tussen de Generale Staf van ons land en Adriaan Quirinus Hendrik Dijxhoorn, de Minister van Defensie. De Minister was aanzienlijk minder beducht voor de Duitsers dan  generaal Izaäk Herman Reijnders, de chef van het Nederlandse leger en stak dat niet onder stoelen of banken. Volgens sommigen leek het net of er een bemoeizuchtige schoonmoeder  het Departement van Defensie runde. 

Zo wilde de generale staf bijvoorbeeld enige boomgaarden die bij de Grebbeberg te Wageningen  het schootsveld belemmerden, opruimen. Maar dat mocht niet van de Minister in verband met te hoge schadevergoedingen.  Laat staan dat de wens van  generaal  Reijnders om twee en niet één van de acht waterlinies die ons land rijk was, in te zetten om de Duisters tegen te houden. Anders dan de regering had generaal Reijnders al vroeg helder in de gaten hoe de Duitsers ons land zouden gaan binnenvallen. Pas na de oorlog kreeg hij daarvoor enige erkenning.

Minister-president De Geer rondde het conflict dat zijn minister van Defensie met de Generale Staf had op,   door generaal Reijnders te ontslaan en in zijn plaats Henri Gerard Winkelman, een pensionado, tot legerleider te benoemen,  Genoemde Winkelman deelde de opvatting van zijn  voorganger, dat het Nederlandse leger in 1940 niet echt paraat was en illustreerde dit door zelf in de nacht van 10 mei tijdens de Duitse inval op zijn gemakje thuis in Wassenaar te overnachten.

Het Algemeen Hoofdkwartier in Den Haag was gesloten en de opperbevelhebber werd, naar Wikipedia  meldt,  pas vroeg in de ochtend geïnformeerd over de Duitse inval. Winkelman vertrok, aldus Wikipedia,  onder gevaarlijke omstandigheden naar Den Haag.

Al in 1939 was de vraag  of de Hollandse Waterlinie voldoende afweer zou bieden tegen de expansiedrang van Hitler-Duitsland door de regering positief beantwoord. 

Om dat te bewijzen werd onze  Renault FT-17 in 1939 als stand in voor de Nazi’s ingezet bij een pseudo aanval op een ondergelopen stukje Waterlinie  bij Leusden.

En ja hoor, het dappere tankje ging meteen kopje onder in de blubber. De Waterlinie, die normaal gesproken circa 40 centimeter diep is, werd ter plaatste doorkruist door een, door modder, aan het zicht onttrokken boerensloot. Deze werd ons krijgszuchtige  Renaultje fataal. Het leger moest er aan te pas komen om de Franse innovatie uit 1917 met vereende krachten weer op het droge te krijgen.  

Opluchting bij de regering:  de  Waterlinie was voldoende om de Duitser een lesje te leren. En om de bevolking gerust te stellen werd dat meteen in een breed publiciteitsoffensief rondgebazuind.  ‘Dat de vijand door zulk een inundatie niet kan doorkomen. Het is één pappige, weke brei waarin vooral alles wat zwaar is wegzinkt en blijft steken’, aldus de regering in 1939.

Ook de pers was, naar spreekt uit bovenstaand citaat uit de  Vlissinger Courant, zeer onder de indruk. De krant opende dit artikel met de kop ‘De Waterlinie, een oude sterkte die altijd modern blijft, de beste waarborg voor onzen vrede’. En dat ondanks het feit dat het grootste deel van de vestingwerken die hoorden bij de Hollandse Waterline al in 1926 waren afgebroken. De Grebbeberg, zelf onderdeel van de Hollandse Waterlinie was dat lot bespaard en bleef door zijn natuurlijke ligging strategisch gesproken nog wel een dingetje. Maar veel viel er niet te verdedigen, want de Duitsers trokken zich, anders dan de  Renault FT-17 weinig aan van ondergelopen polders. Zonder tanks werd het Nederlandse leger bij de Grebbeberg niet in drie maanden, maar in vier dagen onder de voet gelopen. En dat lag volgens oorlog chroniqueur Lou de Jong  aan de legerleiding en  niet  aan de wapenuitrusting en de kwaliteit van de betrokken infanteristen. Die was zowel aan Duitse als aan Hollandse kant voor verbetering vatbaar. 

Onze Renault FT-17 is dit alles bespaard gebleven. Het tankje werd al in 1939 na zijn onfortuinlijke duik in de sloot bij Leusden naar de Ripperdakazerne in Haarlem vervoerd om op te drogen en weer krijgsklaar te worden gemaakt. In 1940  stond hij bij de slag om de Grebbeberg nog steeds in de werkplaats. 

Na de oorlog bleek onze ‘Automitrailleuse a chenilles’  geheel spoorloos te zijn.  Hij is waarschijnlijk als schroot verwerkt in de Duitse krijgsindustrie.

 

VLOOI DER PRAMMEN

De maagd van Orleans, ook wel bekend als Jeanne d’Arc , was geen blijvertje. Als herderinnetje werd ze tijdens de 100 jarige oorlog – die 116 jaar duurde- door God geroepen om Franse krijgsheren die ook in Engeland grond bezaten, te bestrijden. Jeanne was toen 17 jaar. Volgens de overlevering trok ze meteen in 1429 en 1430 met succes ten strijde. Daarna had ze pech, want ze viel bij geen van de betrokken zelfbenoemde vorstenhuizen in de smaak. De kerk werd ingeschakeld om haar op haar negentiende te veroordelen als heks, waarna ze op de brandstapel en niet in het harnas aan haar einde kwam.
In 1456 kwam paus Calixtus III  op andere gedachten. Jeanne werd met terugwerkende kracht bevorderd tot martelares. In 1920 promoveerde ze uiteindelijk tot heilige. En dat is te begrijpen, want 500 jaar na datum spreekt de maagd uit Orleans nog steeds tot de verbeelding. De Franse schrijvers Anatole France en Pierre Larousse van het Franse naslagwerk, roemden haar honderd jaar geleden als socialiste avant la lettre. En in 1920 werd 8 mei uitgeroepen tot nationale Franse feestdag ter ere van het te vroeg overleden herderinnetje, een moment waarop  Franse presidenten in het eerste jaar na hun verkiezing een bezoek aan Orleans brengen ter ere van Jeanne. Mondiaal staat ze pal na de maagd Maria, op de tweede plaats van de lijst van beroemdste feministen aller tijden.

Ook maarschalk Petain, die met de Duitsers collaboreerde in de Tweede Wereldoorlog, haalde Jeanne van stal als symbool van de strijd tegen de verfoeilijke Engelsen. En in het voetspoor van Petain volgde het Front National van de familie Le Pen. Vader Le Pen hoopte met Jeanne in het gevlij te geraken bij de  katholieken. Dochter Marine gebruikt Jeanne als symbool van haar strijd tegen de Europese Unie.

Zulks in 2012 in concurrentie  met president Nicolas Sarkozy die toen met veel bombarie de 600ste geboortedag van de beroemdste maagd van Frankrijk vierde.

Dit alles roept de vraag op: was Jeanne wel een maagd en was het wel een vrouw die in manskleding enige keren met succes ten strijde trok tegen de Engels gezinde krijgsheren die met hun Europese collegae aan landjepik deden?

Volgens de Franse historicus François Ruggieri was Jeanne in werkelijkheid een man: Philip van Orleans. Zij of beter hij zou een bastaard zijn, een illegale halfbroer van Karel de zevende. Het resultaat van een affaire van diens moeder met een oom.

Hoe het precies zat is onduidelijk. Bastaarden hebben zelden een geboorteacte. Zo ook niet Jeanne d’Arc. Wel zijn er bronnen die melden dat Jeanne d ‘Arc, of wie zal het zeggen, Philippe d’Orléans, elke avond aan zijn troepen de opdracht gaf om te zorgen voor jonge meisjes … ‘pour lui tenir chaud lorsqu’il se couchait…’ Waarmee niets definitiefs is gezegd over de sekse, dan wel de seksuele geaardheid van de maagd van Orleans.

Het begrip ‘maagd’, moet overigens in het Franse ruim geïnterpreteerd. Zo kent de Franse republiek sinds de Franse revolutie Marianne, de maagd van Frankrijk, die de triomf van de republiek, de Vrijheid en de Rede symboliseert. Het instituut bestaat nog steeds. Regelmatig tref je een nieuwe Marianne op postzegels aan. In 1970 was  Brigitte Bardot de eerste Marianne nieuwe stijl. Of Brigitte toen nog maagd was, mag betwijfeld worden. Ze was wel een seksbom van klasse en zag er waarschijnlijk wulpser uit dan Jeanne d ‘Arc. De laatste wordt in oude geschriften vooral opgevoerd als een manwijf. Waarschijnlijk was Jeanne niet voor de volle honderd procent maagd. Datzelfde geldt ook voor de kans dat ze zonder enige militaire training een succesvol legerleidster was. Jeanne had als herderinnetje volgens sommige moderne historici veel te weinig in huis om zich op het slagveld en bij de nazit met de triomferende roofridders met succes te kunnen manifesteren.

In de Franse pers schrijft vooral de links getinte Liberation daar kritisch over. De vermeende heks die op 30 mei 1431 levend werd verbrand op de Place du Vieux Marché van Rouen, was, naar te lezen valt in die krant, waarschijnlijk een stand in, die voor het tribunaal mocht toegeven dat God haar had ingefluisterd dat ze Frankrijk moest behoeden voor het Engelse kwaad. Dat leidde bij de kerk tot de beschuldiging dat ze een afvallige leugenares was, een ketter en godslasteraar. Nergens in de Bijbel is immers iets terug te vinden van een aparte verlosser voor Frankrijk. En van een beetje door God gezondene worden bovendien wonderen en mirakels verwacht. Jeanne scoorde daarin niet hoog.

Volgens de Liberation was het een showproces, want waarom werd de aangeklaagde niet zoals gebruikelijk gemarteld ter ondersteuning van een bekentenis? De Liberation denkt dat dat onderdeel van de deal was met de stand in, waarbij zou zijn  toegezegd dat ze, zoals gebruikelijk bij  een vrijwillige bekentenis, zou worden vrijgelaten

Jeanne gaf inderdaad voor de kerkelijke rechtbank na 54 zittingen schoorvoetend toe dat ze een heks was, maar werd toch niet vrijgelaten. Op 31 mei 1431 werd ze onder veel protest een vlooi der prammen op een brandstapel te Rouen. Het zal altijd een raadsel blijven. of dat dezelfde persoon was, die drie jaar daarvoor de Anglofiele krijgsheren een poepje had laten ruiken.

Door deze gang van zaken werd Jeannne d’Arc  de meest iconische Française aller tijden en de beroemdste maagd van Frankrijk en speelt ze bij de komende Franse presidentsverkiezingen op de achtergrond nog steeds een voorname, symbolische rol.

 

LEVENSLANG

Het meest verheugende persbericht dat 30 jaar geleden een zonnestraal wierp op mijn nadagen bij Quod Novum, het toenmalig wekelijkse sufferdje van academisch Rotterdam, betrof missive 37 van het Ministerie van Oh en Wee. Het bericht in kwestie dateert van 23 maart 1987 en gaat over de noodzaak  van leven lang leren. Ik moest er aan denken toen ik zojuist, 30 jaar na datum, in de agenda  van de Tweede Kamer las, dat de huidige vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op maandag 23 januari 2017 een uitgebreide hoorzitting gaat houden over dit onderwerp.

Dertig jaar geleden was het een godsgeschenk voor mijn laatste Rotterdamse ‘Johny Immerschwanger’, mijn wekelijkse column in het Rotterdamse universiteitsblad. Hieronder andermaal mijn bijdrage aan een discussie die in 30 jaar niets van zijn glans verloren heeft.

In het flexibele semi-Germaanse jargon waarmee Het Haagje zijn kostelijke gedachtengoed pleegt te spuien, wordt in persbericht 37 van het Ministerie van Oh en Wee van  23 maart 1987 kond gedaan van het ultieme plan dat gesmeed is om de wetenschap andermaal tot ongekende hoogten op te stuwen.

Nee, geen voornemen gaat de voorgangers van onze democratisch geroepenen te ver om elk jaar, als ware de universiteit een boerenbedrijf, een geheel nieuw  zaai- en oogstplan op te stellen. De vergroting van de opbrengst aan wetenschappelijke knolletjes en afkokers kent, niettegenstaande de boterberg, de wijnplas, hetvleesgebergte en de doctorandussenheuvel, een hoge Haagse  prioriteit.

Dat het academische akkertje hierbij tot verdriet van het zwoegend  wetenschappelijke werkvolk steeds weer opnieuw twee spaden diep  omgespit, verkaveld en soms zelfs plat gespoten moet worden, laat zich raden. Maar aan de spaanders kan je wel zien, dat hier gekapt wordt.

Het zonnestraaltje dat in persbericht nummer 37 doorbreekt, slaat minder op de ondoorgrondelijke inhoud van deze missive, maar vooral op de aanhef. Deze luidt onversaagd: ” Universiteiten en hogescholen worden instellingen voor levenslang onderwijs” . Eindelijk levenslang onderwijs, eindelijk een bewindsman met een visie en een plan dat als een paashaas op een chocoladeei uitstijgt boven de waan van de dag en duur van zijn regeerperiode en dat ons aller leven zal doen zinderen van de zin.

Nu ja, ons aller ? In de zingeving van een deel van de alhier tijdelijk vertoevende representanten van onze diersoort, die gemeenlijk ambtenaren worden genoemd, verandert de nu onthulde brede kijk weinig. De ene helft van de ambtenarij heeft het immers nu al te druk met het concipiëren van beleidsplannen, die de andere helft van onze beambten weer van het werk houden. Dat was al geregeld.

Het gaat dus slechts om het restant van de arbeidzame bevolking, dat zich nijver inspant om het grootste werkgelegenheidsproject van dit land, de overheid, draaiende te houden. Voor hen komt er eindelijk levenslang onderwijs, een fenomeen, dat ten onrechte associaties oproept met levenslange gevangenisstraf, want zo levenslang is die laatste voorziening niet. Levenslange penitaire opsluiting vergt in het meest gunstige geval twintig jaar. Maar reeds na zo’n tien tot vijftien jaar, wordt deze ogenschijnlijke eindbestemming zonder afsluitend examen voortijdig beëindigd. En dit dan in tegenstelling met het onderwijs waarvoor nu een echte levenslange vorm wordt ontwikkeld.  Welk  levenslang “leerplaatje” staat het onderwijsministerium voor ogen ?

Zes weken na de bevalling doet de oppas-oma haar intrede, binnen drie jaar afgelost door de peutercrèche, de kleutercrèche, het basisonderwijs, de middenschool, de hogere beroepsopleiding, de universiteit en het tweede fase onderwijs. Er zijn hierbij enige afwijkende trajecten mogelijk : gymnastiek voor zwangeren en de moedermavo,het postacademisch onderwijs, de volwasseneneducatie. En het om-, her-, na- en bijscholing of na ervaringsonderwijs om er een paar te noemen.Allemaal onderwijsvormen die er nu al voor zorgen dat men zich in de lente en de zomer van zijn bestaan niet kan, wat heet, niet zal vervelen.

Persbericht nummer 37 van het Ministerie van Oh en Wee komt evenwel met een verrassing: na de aldus deskundig afgedichte jeugd is nu ook het zo te noemen derde-fase onderwijs onafwendbaar op komst. Want dat is de nieuwe groeimarkt voor de onderwijssector, nu dit land snel opgrijst.

Te verwachten valt binnenkort een crèche voor de jonge bejaarde, waarin de dan verplichte cursus meno-, en penopauze zal zijn opgenomen. En voor hen die dit niet nodig denken te hebben komt er toch een bejaardengewenningsprojekt. Voor de leergierige grijsneus lokt natuurlijk de cursus Onze Bejaarde Samenleving als onderdeel van de leergang Bewegen voor Ouderen. En voor het dementerende besje staat een verplichte ontscholings-ontwennings cursus op de rails en een leergang Leven Zonder Verstand.

De meeste AOWers zullen zich evenwel gretig in de OBU, de Open Bejaarden Universiteit storten, waarna het aansluitende PAB, het Post Academische Bejaardenonderricht, voor het echte krasse oudje dat het dan nog niet weet, snel furore maakt.

Hiermee heeft het levenslang onderwijs dan eindelijk gestalte gekregen en staat één ding vast: zelden was dit land zo grondig voorbereid op het hiernamaals, als sinds persbericht nummer 37 van het Ministerie van Oh en Wee, gedateerd  23 maart 1987.

 

 

PINK CHRISTMAS

pink-xmasDit jaar droomt de homoscene van München voor de 12e keer van een roze kerstmis. Een droom die werkelijkheid wordt in het meest zwoele gedeelte van München, het Glockenbachviertels dat in december wordt omgetoverd in een roze kerstmarkt. In deze oude klokkenbakkerswijk  is het, aldus de organisatoren, ‘klein, fein, bunt, abwechslungsreich – und so kommunikativ wie kein zweiter! Lesben, Schwule, Familien, Nachbarn und Gäste des Viertels fühlen sich hier gleichermaßen wohl und freuen sich auf die freundschaftliche Atmosphäre, das ungewöhnliche Händler-Angebot, den bekannt leckeren Glühwein und die einzigartigen abendlichen Show-Auftritte.‘

Ja, een sappig taaltje, dat Duits. Na München waaierde de rosarote Schwule uit over geheel Duitsland om in 2008 ook Wenen en Amsterdam te bereiken. Het Christelijke vredesfeest werd daar wat assertiever aangepakt dan in de hoofdstad van het bier. Er verschenen kerststalletje waarin het kindeke Jezus werd bijgestaan door niet minder dan twee Jozefs en twee Marias. De Marias nagespeeld door stemmig verklede travestieten. De Jozefs als leatherboys die met ontbloot bovenlijf de kille decembermaand en dito blikken van vrome voorbijgangers stonden te weerstaan.
Een festijn in de geest van  de Saturnaliën, de losbandige Romeinse voorganger van het Christelijke kerstfeest, waarbij de feestgangers zich een week te buiten gingen aan alles wat de Roomse kerk liever niet wilde. Vandaar dat het christendom  met een eigen gekuiste versie van het eindejaarsfeest kwam, opgehangen aan het kindeke Jezus, die overigens in oktober, in het jaar drie voor Christus geboren is.

Na een wilde Amsterdamse start in 2008, waarbij de kerstboodschap ook werd uitgedragen in schaatswedstrijden voor travestieten, kwam er in 020 helaas de klad in. Volgens de organisatoren waren het slechte weer en de lokale ondernemersvereniging de spelbreker. De laatste schafte meteen al in 2009 de feestelijke flikkerlichtjes in lantarenpalen van de Reguliersdwarsstraat af. De bijdrage van de misselijk makende middenstand aan de kerstgedachte beperkt zich nu tot een kale kerstspar, een magere bijdrage aan de vreugde van een Christmas in welke kleurstelling dan ook. 

Het meeste plezier valt nu nog te beleven aan kerststalletjes in de etalages van Amsterdamse seksshops, waar de  kleur roze altijd al populair was en in speelgoedwinkels.

In Frankrijk is het qua kerststalletjes  helemaal tobben. Herdertjes gaan daar in de kerstperiode  vaak tevergeefs op zoek naar kindekes Jezus die publiek  in een kribje op het nieuwe jaar  liggen te wachten.  Verboden, want in Frankrijk geldt in de grondwet  een nadrukkelijke scheiding van kerk en staat.  Geen kerststalletjes bij gemeentehuizen, laat staan dat er publiek bij gezongen en gebeden wordt.

Iets typisch Frans, dat je ook buiten Frankrijk aantreft. Neem het  Franstalige Montreal.  Het kerststalletje is aldaar  in  de stadwijk Monte Royal helemaal uit den boze,  nadat lokale muzelmannen eisten dat er ook symbolen van de islam rond het kribje moesten worden verschijnen. De gemeenteraad van Montreal heeft toen tot een algeheel  kerststalverbod besloten: want anders was het hek van de dam en moesten de  symbolen van alle godsdiensten in de publieke tableau vivante worden opgenomen. Als compromis mag dit jaar nog wel  de kerstverlichting blijven hangen. Daar moet  de  Montrealer het dan mee doen.

Het debat over deze kwestie heeft inmiddels in Frankrijk  een nieuwe dimensie gekregen. Het  Mariabeeld dat  op een sokkel in het dorpje Publier over het meer van Genève uitkijkt, moet daar op straffe van 100 Euro per dag weg. De heilige maagd staat op gemeentegrond en overtreedt  zodoende, net als het kerst kindeke Jezus in zijn stalletje  de Franse grondwet. 

Een pink  Christmas, dat geheel van God los is, lijkt  de oplossing voor de creatieve  Franse gelovige die een beetje water in zijn kerstwijn  wil doen om toch nog van een, zij het heidens  kerststalletje te kunnen genieten.

maria-publier

DOL OP DWERGEN

zonnekoningKoningin Maria Theresa van Spanje, de echtgenote van de Zonnekoning was dol op dwergen. Ze hield ze min of meer als huisdier, aangezien een beetje dwerg beter luisterde dan een hond, een konijn of een cavia. Bovendien kon je ze met elkaar laten paren. Hetgeen niet alleen een koddig schouwspel opleverde, maar ook als je geluk had gratis nieuwe dwergjes. Dwergen, ja, altijd welkom als weggevertje en leuk om na een alcoholrijke maaltijd mee te werpen. En bovendien waren ze altijd dankzij hun  potsierlijke voorkomen prima inzetbaar als hofnar.

Net als Maria was ook Augusta van Saksen-Gotha-Altenburg, prinses van Wales en de moeder van de Engelse koning George III dol op dwergen. Haar lieveling heette Heffrey Hudson ook wel bekend als augustaLord Minimus. De kleine Hudson won het hart van zijn majesteit door in 1639, toen hij net achttien was, tevoorschijn te komen uit de verjaardagstaart van de vorstin. Een cadeautje dat in hoog geplaatste kringen niet ongebruikelijk was. Want wat is er leuker dan een dwerg, die bij een trouwfeest plotseling uit een taart of een pastei springt om een vers voor te dragen, een stukje te musiceren of om  simpelweg onwelvoeglijke geluiden te maken. Ook reuzen en reuzinnen waren als anomalie in trek, maar die lieten zich lastiger in een taart verstoppen.

hofnarmorDus waren het vooral dwergjes zoals de Spaanse hofdwerg El Primo, die in de 16e eeuw werd ingezet om zijn koning aan het lachen te brengen. De Spaanse vorst in kwestie was de bij ons ook welbekende Philips II. Een uiterst vroom en humorloos persoon, die alleen lachte als hij kiespijn had. Maar sprong zijn kleine El Primo tijdens een koninklijk banket op tafel om tussen brekend glaswerk, rondvliegend bestek en rondslingerende gerechten onzin uit te kramen, dan kwam Philips II weer helemaal bij de mensen. El Primo werd als beloning opgewaardeerd tot secretaris van de toenmalige Spaanse eigenaar van ons land.

minimus

Voor wat dat betreft had hij wat meer geluk dan de eerder genoemde Lord Minimus van Augusta van Saksen-Gotha-Altenburg. Deze kleine dappere schreeuwlelijk  viel uit de gratie doordat hij een lijfwacht een kogel door het voorhoofd joeg. Minimus werd door zijn vorstin op staande voet verbannen naar Oriënt. Daar viel hij in handen van Levantijnse kapers, die hem doorverkochten aan een handelaar in dwergen. Deze wist hem na een paar jaar weer voor een zacht prijsje aan het Engelse hof te slijten. Maar Engeland had inmiddels de Paus afgezworen en dus werd de kleine Lord Minimus, die Rome per se trouw wilde blijven, opgesloten in de Tower. Hij stierf eenzaam en berooid op het Engelse platteland. Sic transit gloria mundi.

De bekendste Nederlandse dwerg, die het prima deed in de hoogste kringen van ons land was de Friese Jantje Hannema, alias Tom Pouce. Een Amsterdamse banketbakker noemde zelfs een inmiddels iconisch gebakje naar dit kleine Friese ventje. Een traktatie die in Frankrijk overigens nooit is aangeslagen, want onze Tom Pouce gaat aldaar over de toonbank als mille feuilles.

266px-friese_dwerg_jan_hannema_alias_admiraalOmdat ons Friese Jantje slechts 63,5 centimeter lang was, mocht hij Koning Willem III en diens Engelse collega Victoria af en toe een handje geven, vermomd als admiraal, duivel, Madame de Pompadoer of Napoleon. Koningin Victoria was diep onder de indruk en schonk hem een op zijn maat gemaakt dwergen-ameublementje, waarin onze kleine held uiteindelijk in het Friese Bergum zijn levenseinde sleet. In Friesland leefde hij enige tijd voort op de sigarenbandjes van de voormalige Sigarenfabriek Leeuwarden.

Sindsdien is het overal bergaf gegaan met de  status van de ooit zo populaire hofdwerg:  De adel liet het kleine ventje steeds vaker links liggen. Zodoende kon het gemene volk aan de haal gaan met de kleine medemens, de vertically challenged zoals de lilliputter in politiek correct Amerikaans heet.

dwergwerpen

Het leidde in de jaren zeventig van de vorige eeuw tot dwergwerpen, een vooral in Australië geliefd kroegspelletje dat culmineerden  in de wereldkampioenschappen dwergwerpen. In de USA raakte het kegelen met een goed verpakte dwerg als kegelbal in zwang. Maar deze moderne opmars van de dwerg werd gestuit door de Verenigde Naties en de Europese Unie. Met dwergen mag nu niet meer geworpen worden. Zelfs niet als de dwerg in kwestie daar juist aardigheid in heeft.

Er wordt natuurlijk nog steeds clandestien met dwergen gegooid, maar de enige dwerg die het buiten het grijze circuit  nog echt goed doet is de tuinkabouter. Een dappere kleine Duitser die in 1872 vanuit Thüringen Europa heeft veroverd. In alle mogelijke opstellingen tref je hem aan in miljoenen keurig geknipte tuintjes. Meestal met een olijk mutsje keurig middle of the road achter een kruiwagentje met schep en gieter.

naakte_tuinkabouters_op_bed_8817200

Als je geluk hebt, tref je er evenwel soms nog eentje aan die, geheel in de geest van de oude hofdwerg ook als tuindwerg niet wil deugen. Maar dat is helaas zeldzaam.

BIOWINDJES

runderschetenonderzoek

Een doorsnee koe produceert per jaar 8000 liter melk, 260 kubieke meter koeienvla en 100 tot 1000 kubieke meter methaangas. Dat is goed voor 800 kilo kaas, 5000 kilometer biologisch verantwoord rijplezier als de vla wordt omgezet in biogas en een bijdrage aan het broeikaseffect, dat 23 keer zo sterk als eenzelfde hoeveelheid C02.

De homo ventosa, de winderige mens, kan daar nauwelijks aan tippen. Per dag komen wij niet verder dan een magere 8 tot 25 biowindjes, waar nauwelijks C04, methaangas, in zit. Vegetariërs produceren net als koeien, die ook al zo vegetarisch zijn, wel het milieuonvriendelijke methaangas, ook wel moerasgas geheten. Zij zijn derhalve een iets groter gevaar voor het milieu, dan de vleeseters onder ons.

boer met koe

Maar het grootste gevaar zijn ze vooral voor zichzelf. Methaangas is nogal explosief, naar sommige boeren weleens hebben ondervonden wanneer ze tijdens het melken in een dichte stal een sigaartje opstaken.

De menselijke biowind beperkt zich gelukkig tot slechts een half litertje C02 per dag. Tel je daarbij  alle CO2 op die het directe gevolg zijn van menselijk handelen, dan kom je op 25 liter CO2 p.p.p.d. Waarmee de 1,6 miljard runderen die onze planeet op hun gemakje kaal grazen even veel bijdragen aan het broeikaseffect als de ruim 6,5 miljard mensen die graag een biefstukje wegprikken.

Voor onze  overheden zijn de toenemende hoeveelheid  CO2 in de atmosfeer en alle zorgen van de kritische milieubeweging, een geschenk uit de hemel. Het biedt de mogelijkheid om steeds meer belasting te heffen op de biowinderige bij-effecten die het gedrag van de homo ventosa met zich meebrengt. Op dit moment gaat het om circa 20 miljard euro per jaar, circa 15% van het inkomen dat de overheid aan zijn onderdanen weet te onttrekken.

lastdier

De winderige koe
wordt in ons land vooralsnog met rust gelaten, maar is  wel gewaarschuwd. Want in Schotland, Ierland, Nieuw Zeeland en Denemarken wordt al langer aangedrongen op een schetenbelasting van 80 Euro per koe.

In Nederland zou dat de fiscus een extra 35 miljoen per jaar opleveren, om nog maar te zwijgen van de mogelijkheid om al onze 150 miljoen boerderijdieren aan te slaan voor hun natuurlijk gedrag.

poepende-koe

De aarde wordt er helaas niet kouder van.

 

OLYMPISCHE SPELLETJES

Statue_of_Pheidippides_along_the_Marathon_Road

Langs de snelweg van Athene naar Marathon staat een standbeeld van een zekere Pheidipiddes die in 490 voor Christus de eerste marathon won.

Pheidippides was als ijlbode  van het dorpje Marathon heen en weer naar Sparta gesneld, een afstand van 240 kilometer, om hulp te vragen voor de bestrijding van de Perzen, zo u wilt de Turken. Deze hadden de onprettige gewoonte om het oude Griekenland binnen te vallen.

De zuid-Griekse Spartanen had iets anders omhanden, maar gelukkig hadden de noord-Griekse Atheners zelf inmiddels het klusje geklaard, zodat  de genoemde ijlbode meteen van Marathon doorstekkerde naar Athene, een extra 42 kilometer, om aldaar de overwinning te melden. Bij gebrek aan tegenstanders was deze eerste marathon voor Pheidippides een makkie, zij het dat hij spoedig na aankomst in Athene het vaantje streek.

De tweede Marathon volgde 2486 jaar later in 1896. De Griekse waterdrager Spiridon Louis deed er  een kleine drie uur over om het goud binnen te halen. Even leek hem de overwinning te zullen ontgaan, doordat hij onderweg iets te veel tijd nam voor de lunch.

The winner of the first Modern Olympic Marathon Spyros Louis wearing his medal on the waist-coat of his fustanella, 1896 Crédito: Coleção Particular

Maar gelukkig bleken zijn tegenstanders iets te enthousiast van start gegaan te zijn op dit toen bij de nieuwe Olympische Spelen geïntroduceerde koningsnummer. Alhoewel het dorpje Marathon precies 42,195 kilometer verwijderd is van Athene, namen de nieuwe Olympische spelen die afstand niet zo nauw. De razendsnelle waterdrager Spiridon hoefde slechts een afstand van 40 kilometer te overbruggen alvorens een Griekse legende te worden. In 1908 werden deze 40 kilometers, pakweg 25 mile, opgerekt naar 26 mile. Zulks opdat de finish precies eindigde voor de koninklijke loge van het White City Stadion in Londen. De gelukkige winnaar dat jaar was de Amerikaanse winkelbediende Johnny Hayes, die overigens als tweede over de finish kwam.

dorando_pietri

De Italiaanse marathonloper Dorando Pietri ging hem voor, maar raakte vlak voor de finish zijn kluts kwijt. Officials vingen hem op en droegen hem over de finish.

Amerikaans protest had succes. Pietri werd gediskwalificeerd. Dit zorgde voor veel ophef en een jaar later werd de titanenstrijd tussen Hayes en Pietri nog eens in Madison Square Garden in New York dunnetjes overgedaan. Daarbij triomfeerde de Italiaan.

Dorando_portretDe marathon was vroeger geen Olympisch spelletje. De Spelen die zouden uitgroeien tot het grootste en meest liederlijke sportevenement van de klassiek oudheid, startte 776 jaar voor Christus als een offerfeest ter ere van de Griekse oppergod Zeus.

Aanvankelijk werd Zeus aanbeden door een klein clubje ontklede mannen die zich tegoed deden aan een overvloed aan eten en drank, die zij als offer hadden meegenomen naar het feestterrein bij het dorpje Olympia in Sparta. De botten en andere oneetbaarheden van de meegebrachte voedings- en genotmiddelen, werden plechtig verbrand. En aangezien het opperwezen zelf niet in staat was om het eetbare gedeelte van de lekkernijen te komen oppeuzelen deden de Olympia-gangers dat wel voor hem.

vaas_symposium

Het drinkgelag, symposium op zijn Grieks, werd af en toe ter bevordering van de  eetlust, onderbroken met een fiks sprintje.  Dat laatste is uit de hand gelopen. Het begon met de dromos. Wie het eerste vanaf het begin van de eettafel langs het schranzende gezelschap bij het einde van het banket was aangekomen, werd toegejuicht en werd bekroond met een olijftak. 2786 jaar geleden was dat een sprintje van 600 keer de voet van Zeus, 192 meter. 2734 jaar geleden kwam er een logisch wedstrijdonderdeel bij: de diaulos. Dezelfde afstand, maar dan ook weer terug.

Handig want zo kwam je verkwikt en vertreden weer op je eigen plaatsje aan tafel terug en kon je zo weer verder met het feestmaal. 2718 jaar geleden werd het sportieve pakket uitgebreid met andere spelletje, zoals  naakt worstelen en naakt met een speer gooien. Het was een hengstenbal waarbij dichters, dansers en zangers voor muzak en extra sfeer zorgden. De spelen waren slechts bestemd voor Griekse mannen. Vrouwen werden gedoogd, mits ze ongehuwd en voor de aanvang van de feestelijkheden, nog maagd waren.

sportvrouwen

Baron Pierre Fréddy De Coubertin, die na een mislukte militaire carrière gecharmeerd was geraakt van sportende mannen, zorgde ruim een eeuw geleden voor een mondiale revival van het Olympische sportfestijn, dat sinds het jaar 393 door de toen tot het fundamentele Christendom bekeerde keizer Theodosius werd verboden. Ook bij De Coubertin geen vrouwen, want sportende vrouwen leverden, aldus de baron ‘het meest onesthetische schouwspel dat menselijke ogen kunnen bewonderen’.

Bij de eerste moderne Spelen in 1896 in Athene konden de deelnemers zich ter plaatse inschrijven. Het waren er circa 245. Naast Grieken waren het vooral Engelse en Amerikaanse studenten toevallig op excursie in Griekenland, vrolijke amateurs voor wie het meedoen belangrijker was dan het winnen. Dan kon ook niet anders, want het waren anders dan nu geen dopegezinde beroepssporters, die al dan niet met behulp van vernuftige hulpmiddelen tot topprestaties in staat  waren.

Het zou nog een eeuw duren voordat het festijn van De Coubertin zou uitgroeien tot een mondiaal spektakel, met een Olympische vlam, een bedenksel van de  cineaste Leny Riefenstahl en de staalmagnaat Krupp, bij de spelen in Berlijn in 1936.

vlam

Daarmee waren de spelen niet langer onschuldige Olympische spelletjes voor amateurs maar big business voor de politiek en de  internationale sport industrie. Er  bestaat overigens nog steeds een spelletjesvariant, waarbij het meedoen wel belangrijker is dan het winnen. In het dorpje Much Wenlock in Schotland worden al sinds 1850 jaarlijks Olympische spelen gehouden.

William Penny Brookes, de toenmalig sociaalBrookes bewogen plattelandsdokter van dat dorpje wilde de arbeidersjeugd graag verheffen en maakte de sport, tot dan een privilege van de elite, toegankelijk voor arbeiderskinderen.

;pgo wenlock

Hij motiveerde daarmee ook De Coubertin, die zijn spelen van de dit jaar voor de 130 keer  gehouden Wenlock Olympian games heeft afgekeken.

 

 

 

 

 

 

 

TOPSPORT

1280px-International_Olympic_Committee_1896_Albert

Baron de Coubertin op de eerste rij in het midden van  het het Olympisch Comité in 1896 

In 1912 won het schrijversduo G. Hohrod en M. Eschbach bij de Olympische Spelen in Stockholm een gouden medaille voor hun Ode aan de Sport. Voorzitter van de literaire jury was Pierre de Frédy, beter bekend als Baron de Coubertin. In die jury was hij de enige die aan deze ode een gouden Olympische plak wilde toekennen.

De rest van de jury vond er niets aan en had er net als het Zweedse Olympisch Comité van dat jaar moeite mee om rijmelarij te  zien als topsport. Daarover werd toen overigens al zes jaar gediscussieerd in het Olympisch Comité. De heren besloten onder druk van de Coubertin in 1906 dat kunst ook sport is, maar het Comité van de spelen in Londen van 1908 wilde daar niet aan.

180px-Olympic_rings_with_transparent_rims.svg

In 1912 was de kogel door de kerk en promoveerden de architectuur, de beeldhouwkunst,de  schilderkunst en de literatuur tot topsport. De enige inzending in de laatste categorie heette heel treffend: Ode aan de Sport. Het was in 1912 de enige inzending in de  categorie rijmsport. Het dichtwerkje  werd maar liefst in het Frans én in het Duits aangeboden, zij het zonder een bekende inzender. De schrijvers G. Hohrod en M. Eschbach wilden per se anoniem blijven.

Lastig bij de prijsuitreiking. Maar Frédy persisteerde. Hij betaalde sinds 1902 in de beginjaren van de nieuwste220px-Plaque_Pierre_de_Coubertin,_20_rue_Oudinot,_Paris_7Olympische Spelen immers alle kosten van dit evenement. Daaraan spandeerde hij gaarne het in 500 jaar zorgvuldig bij elkaar geschraapte familiekapitaal van de De Coubertins. Een echte sportfan, want 20 jaar later was dat kapitaal er door heen, zodat De Coubertin uiteindelijk in 1937 geheel berooid, maar wel als Olympische held  aan zijn einde kwam.

In 1912 was De Coubertin nog rijk genoeg om 5000 franc extra ter beschikking te stellen voor de kunstprijzen en zelf werd hij als hoofdsponsor voorzitter van de jury. In die rol was hij de enige die geen bezwaar had om de anonieme ode te belonen met een gouden plak. In 1919 bleek waarom. De Coubertin was zelf de auteur van de bekroonde jubelzang. Hohrod en Eschbach waren de geboortedorpjes van zijn schoonouders. Blijkbaar wilde Pierre bij hen een wit voetje halen door na een geheel mislukte carrière, nu ook eens zelf met een echte gouden medaille thuis te komen.

180px-Bundesarchiv_Bild_146-1976-033-17,_Berlin,_Olympische_SpieleDe affaire belandde in de doofpot, maar De Coubertin had het lef niet meer om ooit nog als toeschouwer naar zijn eigen spelen te gaan. Zijn laatste Olympische daad was een toespraak die bij de spelen in Berlijn via een grammofoonplaat te beluisteren viel. Heel verrassend liet hij via het vinyl weten, dat meedoen aan zijn spelen belangrijker is dan het winnen van medailles130px-20_francs_Pierre_de_Coubertin_revers.